Uniform en uitrusting Nederlandse Landmacht 1939/1940


Algemeen


Het legeruniform kent een rijke historie die door kleur getekend werd. De uniformkunde, zoals de kennis over de geschiedenis van het legeruniform ook wel wordt genoemd, betreffende de Nederlandse Landmacht 1939/1940 is wellicht minder indrukwekkend, maar daarom niet minder het bestuderen waard.

Kort gezegd was het voor 1912 belangrijk om gezien te (kunnen) worden op het slagveld, met de invoering van het grijsgroene uniform brak men op belangrijke punten rigoureus met die opvatting.

De kleurentraditie leefde voort op de achtergrond, niet zozeer in de kleuren van de uniformen maar meer in de details als onderscheidingstekens, terminologie, rangaanduiding, het gebruik van uitrustingsstukken, etc.

Grijsgroen 1912

Het grijsgroene tenue van 1912 zou, zij het met enige kleine wijzigingen in kleur, snit en uitmonstering, gedragen blijven worden tot 1940. Het grijsgroene uniform werd vanaf 1912 verplicht gesteld voor alle Landmacht onderdelen met uitzondering van de koninklijke Marechaussee, zij behielden hun donkere uniform.

De uniformtradities waren hardnekkig en bleven in bescheiden mate in leven. Vooral bij de Huzaren en het Korps Rijdende Artillerie (KRA) was de uniformtraditie zo sterk dat bijvoorbeeld in 1919 bij de verhuizing van het KRA naar Arnhem alleen de rijbroek van het grijsgroene uniform werd gedragen, voor het overige tooide men zich in de traditionele kledij waaronder de dolman, de kolbak en de giberne.

Minpunten grijsgroen

Met de invoering van het uniform in 1912 en de daarop volgende mobilisatie kwamen ook de beperkingen van het uniform naar voren. 's Konings rok voor Jan-soldaat, zoals men het uniform in de volksmond vaak noemde, werd doorgaans als niet comfortabel ervaren.

Uit gesprekken met veteranen en uit hun geschreven verhalen kwam naar voren dat de uniformen als niet erg comfortabel werden ervaren. Vooral de hoge kraag werd als zeer onplezierig/ zelfs hinderlijk beschreven.

De verplichting tot het nemen van militaire dienst speelde daarbij ongetwijfeld een grote rol, de snit van met name de broeken liet duidelijk te wensen over en de onpraktisch gesneden beenwindsels zorgden voor ergernis.

In de jaren dertig kreeg de smalle broek van de onberedenen met de bekende “knietjes” een bescheiden “pof” hetgeen de beweeglijkheid verbeterde, de uniformkleur werd iets aangepast naar minder groen en meer (blauw-)grijs en de beenwindsels werden aangepast in kleur en vorm.

Nieuw Model

Het nieuwe uniform

De hoge kraag verdween pas met het Nieuw Model Uniform in 1937 die in 1938-1939 als proefmodel bij enige eenheden was uitgereikt, echter in mei 1940 nog steeds niet officieel was ingevoerd.

Geleidelijke invoering

Elke wijziging van het uniform werd geleidelijk doorgevoerd, in zoverre dat de oude uniformen eerst moesten worden afgedragen, zodat bij het uitreiken van nieuwe uniformen de wijzigingen ook in de praktijk werden doorgevoerd. Vandaar dat in mei 1940 het Nieuw Model Uniform nauwelijks werd gedragen en men in sommige gevallen het “oude” grijsgroene uniform droeg.

Voor het overige voldeden het uniform en de uitrusting overigens aan de standaarden van die tijd. De kepie die op fotomateriaal uit de mobilsatieperiode nog wel te zien was, was een herinnering uit vervlogen tijden waarop de traditionele details op verantwoorde en smaakvolle wijze waren aangebracht.

De helm was ronduit modern en had met de gestileerde heraldische leeuw op de helmplaat, een bijna kunstzinnige uitstraling. De naoorlogs hoax dat de helmplaat een zwakke plek zou zijn, lijkt inmiddels wel voldoende te zijn weerlegd.

In de linkerkolom staat de infanterie korporaal in veldtenue. Beweeg met de muis over de korporaal om het uniform en de uitrustingsstukken te herkennen. De meeste items zijn aanklikbaar waarna meer over dat onderdeel te zien en te lezen is.

Onderdelen en kleuren


Een belangrijke functie van het uniform van de militair was de herkenbaarheid. Niet alleen voor eigen troepen, maar ook voor de vijandelijke troepen. Binnen de Landmacht had elk legeronderdeel veelal eigen kenmerkende onderscheidingstekens waardoor een geoefend militair direct kon inschatten van welk onderdeel de militair kwam die hij voor zich had.

"Strepen en sterren"
Korporaals en onderofficieren (beneden de rang van adjudant) droegen op de onderam chevrons (strepen) in een gele/ gouden of witte/zilveren kleur, officieren droegen op de kraag sterren en balken in gouden of zilveren kleur. Waren de chevrons geel/ goudkleurig dan waren de sterren zilverkleurig. Andersom waren de chevrons wit/ zilverklerurig dan waren de sterren goudkleurig. Overigens waren de kraagemblemen niet glimmend, maar mat-brons of mat-witmetaal

In de rechterkolom staan de landmachtonderdelen niet-limitatief opgesomd met daaronder een korte uitleg over de kenmerkende onderscheidingstekens voor de betreffende onderdelen. Voor het onderdeel infanterie (linksboven), is per rang nadere informatie beschikbaar over het uniform en de onderscheidingstekens.

Tenues


In het voorschrift “Uniformen en Tenues en het paardentuig van de kon landmacht” (1934) waren vier soorten tenue opgenomen. Het veldtenue, het dagelijks tenue, gekleed tenue en het ceremonieel tenue.

Het dagelijks tenue was grijs en het gekleed tenue was donker. Het gekleed tenue was zonder versierselen, en het ceremonieel tenue met sjerp en fouragere. Het dagelijks tenue was zonder uitrusting en wapen, het veltenue met uitrusting en wapen(s). Het veldtenue kende verschillende bepakkingen.




Bronnen:
- De grijsgroene uniform uit de jaren 1912 – 1940, F. J. H. Th. Smits
- Van grijsgroen naar camouflage; de (gevechts-)kleding van de Koninklijke Landmacht 1912-2000, Martien Talens, G. de Vries
- Voorschrift “Uniformen en Tenues en het paardentuig van de kon landmacht” (1934)
- Biologie van de uniformen: artikel uit ARMAMENTARIA van 1977 door Eric van Heuverswyn